Hiërarchie in niveau's

Organon §9: "Als de mens gezond is heerst de spirituele levenskracht (autocratie), die als Dynamis het stoffelijke lichaam (het organisme) leven doet, onbeperkt. Ze houdt al zijn delen in een bewonderenswaardige harmonische, levende werking, die zich uit in voelen en handelen, zó, dat de met verstand toegeruste psyche zich vrij van dit levende, gezonde instrument kan bedienen voor de hogere bedoelingen van ons bestaan."

Hahnemann noemt hier de drie-eenheid van synergetische niveaus waaruit een mens bestaat:

  1. Het spiritueel-geestelijke niveau;
  2. De instinctieve levenskracht;
  3. Het fysieke organisme.

Het hoogste bewuste niveau komt vooral tot uitdrukking via de psyche, in iemand zijn wil, begrip, emotie en handelen. De onbewuste instinctieve levenskracht komt vooral tot uitdrukking via het autonome zenuwstelsel. Beide (PNEI) oefenen invloed uit op het fysieke organisme, waar zowel de bewuste als onbewuste aspecten van een mens samenkomen.

Hahnemann beschrijft dit in het Organon met volgende termen:

  1. Levensprincipe of levensbeginsel (Ziel);
  2. Dynamis;
  3. Levenskracht;
  4. Organische levenskracht of levensenergie;
  5. Organisme.

Het levensprincipe, de bron van leven en energie is niet-materieel (Ether), het is de kracht die via de onderliggende niveaus op het substantiële leven en energie (Vuur, Water, Lucht, Aarde) fysiek inwerkt.

Kent verdeelt de mens in vijf hiërarchische niveaus:

  1. Wil, geeft sturing aan de kracht van liefde afkomstig van het hoogste energiereservoir;
  2. Intellect, het ‘begrijpen’ als hoogste bedoeling van het bestaan;
  3. Lichaamsvloeistoffen, transporteren ‘geanalyseerd’ materiaal door het lichaam:
  4. Lymfe, Bloed, Urine, Zweet;
  5. Interne organen, bewerken de componenten voor de lichaamsvloeistoffen:
  6. Hart, Longen, Darmen, Pancreas, Lever en Nieren;
  7. Externe organen, scheppen voorwaarde voor werking van de interne organen, het handelen:
    Huid, Ledematen, Spieren, Skelet en Bindweefsel.

Er zijn kunnen hoofdzakelijk vier niveaus van een mens onderscheiden worden: Wil, Denken, Voelen en Handelen. Wanneer deze niveaus in harmonie met elkaar zijn is een mens perfect gezond. In ziekte is er een discrepantie tussen de bewuste en onbewuste niveaus. Een verstorende niet-materiële energiebron oefent naast het levensprincipe, tevens invloed uit op de fysieke niveaus van de mens. De levenskracht geeft d.m.v. symptomen deze tekortkoming of verstorend patroon aan. Deze verstoring kan alleen maar blijvend bestaan, doordat hieraan vanuit het dynamische centrum, een individuele gevoeligheid (susceptibiliteit) aan ten grondslag ligt. De levenskracht gebruikt altijd het onderliggend niveau van het organisme om ziekte uit te drukken. Dit betrokken niveau of laag van de constitutie is afhankelijk van de hoedanigheid en fase van de ziekte. Welk gedeelte van de constitutie dit betreft, heeft vervolgens weer invloed op het op de voorgrond tredende ziektebeeld.

Wanneer de ziekte een bepaald gedeelte of aspect van de constitutie betreft, zal het beeld van deze laag een minder ‘individueel’, maar meer een extern karakter hebben van een patroon dat het individu opgedrongen wordt. Dit beeld is voor de selectie van het simillimum minder betrouwbaar en zal op zichzelf een minder precies passend en diepgaand middel opleveren. Dit heeft ook direct gevolg voor de potentiekeuze van het passende middel.

Symptomen als reactie op de verstoring, verbonden aan de verschillende lagen van de
constitutie, kunnen op allerlei middelen wijzen.

Hiërarchie in symptomen:

  1. Individuele essentie/ susceptibiliteit (Ether)
  2. Aetiologie/ miasma:
    - Acuut;
    - Subacuut;
    - Psora;
    - Sycosis;
    - Tuberculosis;
    - Syfilis;
    - Carcinosis;
    - Aids.
  3. Psychische-mentale, algemene symptomen:
  4. - Wil (Vuur): Egoïsme, jaloezie, ongeduld, zelfzuchtigheid, arrogantie, agressie, hebzucht, wreedheid, seksuele perversie, machtswellust, prikkelbaar, nauwgezetheid;
    - Begrip (Lucht): Beoordelingsstoornis, waandenkbeelden, illusies, dromen, hallucinaties, verwarring, verlies van tijdgevoel;
    - Emotie (Water): Liefde, haat, angst, depressie, afhankelijkheid, overgevoelig, labiliteit, zelfmoordneiging, huilerigheid;
    - Geheugen (Aarde): Vergeetachtigheid, concentratiestoornis, onpraktisch, afgestompt, fouten met lezen en schrijven;
  5. Symptomen die de hele mens betreffen, fysieke algemene symptomen:
  6. - Gewaarwordingen en modaliteiten;
    - Seksualiteit, menstruatie;
    - Eetlust, behoeften en aversies;
    - Af- en uitscheidingen;
    - Slaap en dromen;
  7. Orgaangebonden symptomen,
  8. Plaatselijke verschijnselen met modaliteiten en bijkomende symptomen.

Het herkennen van de ziektefase kan benaderd worden middels het functionele informatieniveau; de mate waarin de ziekte bewust en karakteristiek is. De ziekte wordt in afnemende mate functioneel, wanneer deze zich hoofdzakelijk via de constitutionele hogere niveaus manifesteert en is hierin in mindere mate afhankelijk van de individuele karakteristieken van de persoon.

tabel

Deze onderverdeling komt sterk overeen met het concept van R.Sankaran betreffende de Vitale sensatie en Niveaus, waarbij er een hiërarchie in symptomen, maar ook in fase van ontwikkeling te zien is:

  1. Stoffelijke pathologie, de diagnose van de ziekte
  2. Lokale symptomen van de ziekte, (locatie, gevoel, modaliteit etc.);
  3. De emotionele gesteldheid van de patiënt (Concomitments, algemeen effect van niveau 2);
  4. Het waanbeeld van de patiënt (Neuro-endocriene-Immunologe symptomen).
  5. Het basisgevoel van de patiënt, (Natuurrrijk etc.)
  6. Het energetische of universele beweging- en reactiepatroon van de patiënt.
  7. De spirituele of geestelijke gesteldheid van de patiënt.

Dit model kan gebruikt worden om een werkelijk beeld van de ziekte te krijgen. Deze informatieniveaus moeten in het vraaggesprek één voor één vastgesteld worden. Naarmate de ziekte vordert, neemt de manifestatie van de hogere niveaus af en die van de lagere toe.

Bij het onderzoek naar het Simillimum, moet vooral naar de (evt. vroegere) manifestatie van de hogere niveaus gekeken worden om een volledig en zuiver beeld van aan de ziekte ten grondslag liggende de dynamische verstoring te krijgen.

Het belangrijkste bij het bepalen van het simillimum is het diepste gevoel van onzekerheid, kwetsbaarheid, zwakheid en angst. De innerlijke essentie wordt vermeden, omdat er angst is voor overgave en eenwording. In plaats hiervan wordt gepoogd om op het niveau van de persoonlijkheid, het essentiële evenwicht met de buitenwereld te verkrijgen. De mens vermijdt de confrontatie via zijn individuele kern, omdat dit zijn gevoeligste punt is (susceptibiliteit), waardoor men voortdurend streeft op dit punt absoluut, bovenmenselijk, verheven boven de polariteit te zijn. Ieder mens ervaart zijn gescheiden zijn van het absolute en zijn persoonlijke bestemming weer anders. Symptomen zijn niet anders dan de uitdrukking van de miasmatische achtergrond van de patiënt. Deze ligt vast in de constitutie van de patiënt. Het gaat hierbij niet om een voorschrift op de karakteristieken van deze niveaus zelf, maar om het dynamische patroon dat hierdoor als eenheid uitgedrukt wordt. Het ware zelf wordt gemaskeerd door de persoonlijkheid en kan alleen worden ontdekt door observatie van het gedrag, de manier waarop de patiënt met zijn omgeving omgaat, zijn dromen, idealen, fantasie, ambitie en zwakheden en frustraties. De generale modaliteiten als voedsel voorkeur of afkeer, reactie op bepaalde weersomstandigheden en omgevingstemperatuur zijn hierbij belangrijk, omdat ze alle dienen om de status-quo van de patiënt te bewaren.

Genezen vanuit de kern betekent:

Norm van genezing is de spirituele ontwikkeling, de verinnerlijking.

Voor het voorschrift van het individuele simillimum zijn de miasma’s tijdens het hele leven van de patiënt relevant, voor het bepalen van het huidige constitutiemiddel beperkt zich dit tot de hier en nu aanwezige actieve miasma’s. De psychisch-mentale gesteldheid komt tot uitdrukking in de vorm van spraak en gebaren. Deze expressies kunnen als symptomen behandeld worden. Deze facetten geven hierbij inzicht voor het simillimum. Deze karakteristieke aspecten zijn het hoogst in hiërarchie, want ze vertegenwoordigen direct de dynamische interactie. Deze vaak als normaal beschouwde karakteristieken zijn hierbij sterk bepalend, omdat ze de onderliggende constitutionele predispositie voor de ziekte vertegenwoordigen. Het gaat hierbij dus niet uitsluitend om merkwaardige, opvallende, aparte ziektesymptomen. Niemand is perfect en is dus niet volmaakt in balans met zijn omgeving. De karakteristieken vallen op doordat ze uitdrukking geven aan de beperking van het individu, waardoor het primaire symptomen zijn. In het beeld ontbrekende karakteristieken gekoppeld aan het miasma, zoals deze gedefinieerd worden in sommige Materia Medica’s, zijn geen grond om een bepaald middel uit te sluiten. Middelen kunnen tegengestelde symptomen en meerdere miasma’s in hun beeld hebben, afhankelijk van de ziektefase. Het gaat bij het geneesmiddelbeeld niet om de uitingsvorm, maar om de dieperliggende oorzaak.

De gevonden symptomen moeten worden omgezet naar duidelijke repertoriumrubrieken. De gekozen rubrieken moet zonder twijfel een objectief karakteristiek facet van de kern vertegenwoordigen, waarbij geen interpretatie of verklaring van de homeopaat de keuze van de rubriek bepaalt. Deze karakteristieken moeten aanwezig zijn tijdens het hele leven van de patiënt. Hierbij moet zoveel mogelijk grote rubrieken gekozen wordt, om niet direct door het gebruik van een misschien onvolledige kleine rubriek het juiste middel te missen. Om het aantal te middelen te reduceren, kan de reactie op de van de patiënt op omgevingsinvloeden als eliminatierubriek dienen. Een kleine rubriek kan gebruikt worden wanneer deze uitgesproken en bepalend is voor zowel de patiënt als middel. Bij de keuze van een klein middel zullen de rubrieken ook overeenkomen, omdat deze in aantal beperkte symptomen uitermate karakteristiek zijn. Met de kennis van de Materia medica kan men vervolgens tot een uiteindelijke keuze komen. Ook een benadering vanuit een juist gebruik van de signatuurleer gekoppeld aan de totaliteit van karakteristieke symptomen kan hierbij waardevol zijn om de symbolische betekenis van het energiepatroon van de patiënt te herkennen.


Terug