Potentie (2)


3. Susceptibiliteit/ constitutie/ vitaliteit:

Er moet rekening worden gehouden met de susceptibiliteit van de patiënt voor het middel. Veel hangt van de susceptibiliteit van de patiënt af, de susceptibiliteit voor het homeopathische middel is hier een deel van. Susceptibiliteit is de aan het leven inherente eigenschap om te kunnen reageren op stimuli van de omgeving. Het is een indicatie van vatbaarheid en weerbaarheid vanuit de normale, vitale, constitutionele gesteldheid. Susceptibiliteit wordt door reactie van het organisme op omgevingsfactoren kenbaar gemaakt. Tekenen en symptomen vertegenwoordigen de enige waarneembare vorm van bewijs van deze reactie die in het organisme plaats vindt Deze susceptibiliteit komt door meerdere factoren tot stand, Stuart Close noemt de volgende vijf punten:

  1. De (algemene) susceptibiliteit van de patiënt;
  2. De mate waarin de ziekte in de constitutie geworteld is;
  3. Het wezen, karakter van de ziekte;
  4. Het stadium en tijdsduur van de ziekte;
  5. De voorgaande behandeling van de ziekte.

Susceptibiliteit is dus een maat voor het gestructureerd en doelmatig kunnen reageren van het organisme op de omgeving en wordt o.a. beïnvloed door de volgende factoren:

Leeftijd: Jonge, robuuste, krachtige mensen reageren in de regel vaak goed op de hogere potenties, omdat hun energie hoog is. Ze hebben hierdoor in verhouding wel een vakere herhaling nodig. Oudere, trage mensen hebben vaak de lagere nodig, omdat hun vitaliteit meestal minder is.

Constitutie en temperament: De fysieke constitutie en psychologische temperament van de patiënt en hun gevoeligheid: Beweeglijke, nerveuze allergische en emotionele onstabiele typen, zijn doorgaans gevoeliger dan trage, kalme en in het algemeen tolerantere individuen. Intellectuelen, nerveuze, prikkelbare, emotionele en opgewonden, van nature gevoelige mensen hebben vaak hoge potenties nodig. Grove, onderontwikkelde en trage, van nature niet-gevoelige mensen hebben de lage potenties nodig. De constitutionele energetische eigenschappen spelen ook een rol, elk individu beschikt over een bepaalde energie bepaald door erfelijkheid en omgevingsfactoren.

Gewoontes en omgeving: Leefgewoonten, zoals drinken, roken, medicijngebruik, verslaving, slaap en eetgewoonten. Leefomstandigheden etc., kunnen de mogelijkheid om te reageren doen afnemen, waardoor een lagere potentie nodig is. Pathologische toestand: Pathologische veranderingen kunnen de mogelijkheid van het organisme om te reageren ook laten afnemen. Lage potenties bij organotrope middelen en diepwerkende middelen bij ernstige gevallen. Er zijn situaties waar een diep constitutioneel middel niet gegeven of herhaald mag worden, de reactie kan hier fataal voor de patiënt zijn. Vaak is dit het geval bij zware eenzijdige pathologie en gemengde miasma's waar de vitale organen bij betrokken zijn. Hier moet men eerst een complementair minder diep, vaak plantaardig middel gebaseerd op de locale verschijnselen voorschrijven. In het algemeen werken lage potenties op de organen, middelhoge op de lichaamsfuncties en hogere op de psyche. Dit is echter geen sluitende regel, want ook een psychisch symptoom kan bijvoorbeeld meer pathologisch zijn en een weinig dynamisch karakter hebben.

Bij patiënten met psychische ziekten is de susceptibiliteit vaak hoog, maar kan beter laag in potentie begonnen worden i.v.m. een te sterke beginverergering. Bij een overgevoelige, weinig vitale of constitutioneel zwakke patiënt, is het beter de patiënt met de lagere potenties voor te bereiden op het gebruik van de hogere (niet hoger dan C30, C200 beginnen, of de LM-potenties gebruiken).

4. Aetiologie; onderhoudende, verergerende en fundamentele factoren:

Bij het beschouwen welke rol 'oorzakelijke factoren' gespeeld hebben, die bijdragen aan het ontstaan en ontwikkeling van een ziekte, kan dit niet gescheiden worden van de constitutie van de patiënt. Constitutie is het resultaat van individuele, erfelijke en omgevingsfactoren. Het onderscheid tussen 'oorzaak' en 'verergerende factoren' moet gemaakt worden. Een oorzaak kan voortstuwend, onderhoudend of fundamenteel zijn. De virulentie waarmee de ziekteverwekker de ziekte veroorzaakt, geeft informatie over de susceptibiliteit, de mate waarin de levenskracht in staat is de ziekte het hoofd te bieden. Psychologische, fysieke, omgevingsfactoren kunnen onderhoudende oorzaken zijn, die het organisme in toestand van spanning houden en in een lagere potentie resulteren. Bij 'Fundamentele oorzaken' moet aan de miasma's gedacht worden.

5. Miasmatische aspecten:

Een miasma is de fundamentele constitutionele gesteldheid van het individu, de dynamische basis voor ziekte. Miasma's worden bestudeerd van een minder destructief miasma naar een meer destructief miasma; Psora - > Sycosis - > Tuberculosis - > Syfilis. Er is een toenemende afname van energie en toename van wanhoop, de ziekte ontwikkelt zich van een functioneel naar een structureel niveau; structurele veranderingen ontwikkelen zich van omkeerbaar naar onomkeerbaar. Een ziekte kan gecategoriseerd worden afhankelijk van de activiteit en gesteldheid die het laat zien.

Immuniteit is een van de aspecten van normale susceptibiliteit. De miasmatische gesteldheid verandert de susceptibiliteit en maakt deze abnormaal. Het voortschrijden van het miasmatische proces verandert de susceptibiliteit in een toenemende ziekelijke mate. Zo is bijvoorbeeld de immunologische status van iemand met een sycotische miasmatische expressie, beter in vergelijking tot die vanuit het tuberculinische miasma. Een homeopathisch voorschrift moet niet alleen op symptomen gebaseerd worden, maar ook op de onderliggende miasmatische gesteldheid, vandaar ook het belang van miasma's, bij de selectie van de potentie.

Psora: Hoge potenties in een lage herhalingsfrequentie. Sycosis: Lage tot medium hoge potenties in frequente of niet-frequente herhaling. Tuberculosis: Lage tot medium hoge potenties in niet-frequente herhaling. Syfilis: Lage potentie in frequente of niet-frequente herhaling (afhankelijk van de andere criteria).

Vooral de anti-psorische middelen moeten de oorzaak diep en grondig elimineren. De lagere potenties van deze middelen kunnen de diepte van de symptomen wel halen, maar te kort en niet intensief genoeg werken om het miasma te elimineren. Er is hier meer energie nodig, de hoge potenties zijn hier dan nodig.

6. Gelijksoortigheid: Graad en niveau:

We moeten een middel geven op basis van kwalitatieve gelijksoortigheid, de gegevens afkomstig van de individuele expressie vertegenwoordigen deze kwalitatieve totaliteit. Hier moet nog aan toegevoegd worden dat het karakter van de ziekte, hierbij ook een factor van belang is. De mate van duidelijkheid en intensiteit van de symptomen en hun overeenkomst met het middel is een maat voor de susceptibiliteit. Hoe hoger de susceptibiliteit, des te duidelijker en specifieker de basiswaan, de werkelijke individualiteit herkenbaar is. Elke ziekte heeft een Centrale Verstoring, de gelijksoortigheid van het middel moet overeenstemmen met deze kern en dit gebeurt alleen wanneer de totaliteit is begrepen in diepte en omvang. Wanneer de overeenkomst alleen bereikt wordt voor het niveau van de perifere expressie, zal er een onvolkomen gelijksoortigheid zijn. Een volkomen gelijksoortigheid wordt bereikt wanneer de centrale en perifere expressie gedekt worden door het middel.

De potentie kan in hoogte individueel op de patiënt afgestemd kan worden. De juiste potentie van het passende middel kan hierdoor duurzamer, intenser en daardoor een effectiever genezend effect tot gevolg hebben. Naarmate een C-potentie hoger wordt neemt de frequentie; de 'specifiekheid van de informatie', evenredig met de dynamische ontwikkeling toe. Deze frequentie moet door de constitutie gedragen kunnen worden. Het werkingsgebied van de C-potentie neemt evenredig met de potentie toe van een constitutioneel perifeer naar het centrale niveau.

Gelijksoortigheid kan op verschillende niveaus bereikt met een:

  1. Chronisch constitutioneel middel;
  2. Miasmatisch middel;
  3. Acuut middel;
  4. Intercurrent middel;

Hoe gelijksoortiger het ziektebeeld is aan het geneesmiddelbeeld, dus eveneens het brede constitutionele en psychisch niveau dekt, des te hoger de potentie is die kan worden ingezet. De susceptibiliteit voor het Simillimum is het hoogst. Hoe hoger de susceptibiliteit is des te hoger de potentie moet zijn. Het gaat dus bij het bepalen van de juiste potentie, om:

  1. Kwaliteit;
  2. Ontvankelijkheid, gevoeligheid;
  3. Proportionaliteit.

De hoogte van de potentie moet evenredig zijn, met de mate van duidelijkheid en de intensiteit van de meer karakteristieke symptomen. Dit zijn de symptomen die in een bepaald ziektegeval opvallend, merkwaardig en ongewoon zijn en overeenkomen met het geneesmiddel.

De potentie moet dus evenredig met de intensiteit van de Centrale Verstoring zijn. Deze verwijst niet naar de uiteindelijke diepte van de verstoring, maar het geeft de momentele mogelijkheid aan om te reageren op de corresponderende prikkel.

Kent: 'Zoals er octaven van muziektonen zijn, zo zijn er octaven van de levenskracht, waardoor het afzonderlijk mogelijk is aan te sluiten bij de verschillende niveaus van het innerlijke organisme van de lichaamscel. Deze niveaus corresponderen met gelijksoortige middelen in de 30e, 200e, 1M, 10M, 50M, CM, DM en MM potenties.' Dus sprongen in potentie kunnen verschillende niveaus in de levenskracht van een persoon beïnvloeden. Deze benaderingswijze is meer aan de orde wanneer het constitutiemiddel voorgeschreven wordt.

Hoe dieper het niveau van de op de voorgrond tredende pathologie is, des de hoger de toegepaste potentie moet zijn. Dit is een fundamentele regel. Wanneer de pathologie het meest prominent in de Mentale/ spirituele sfeer is, moet de potentie hoog zijn wil er sprake van een blijvende genezing zijn. Iets lagere potenties zijn passend wanneer het Psychisch/ emotionele gebied is aangedaan. Wanneer de pathologie zich alleen manifesteert op het Fysieke vlak komen de medium tot lage potenties in aanmerking om de behandeling mee te beginnen.

7. Het karakter van het middel:

Het werkingspatroon van een middel, de werkingsduur en diepte van werking: Is het middel toxisch of niet toxisch, van minerale, plantaardige, dierlijke of menselijke oorsprong? In het algemeen werken niet-toxische plantenmiddelen milder en korter. Minerale middelen hebben de neiging dieper en langer te werken. De voedingsmineralen zijn relatief milder dan de toxische minerale elementen. Giftige planten, mineralen en nosodes hebben meer zorg nodig, waarbij men terughoudender moet zijn met potentie en herhaling. Middelen die als substantie inert zijn, moeten gebruikt worden in hoge potenties. Middelen welke als substantie zeer actief zijn, moeten gebruikt worden in de medium hoge potentie. In welke bepaalde potenties, de geneesmiddelprovings gedaan zijn kan ook van belang zijn.

8. Onderdrukking:

Onderdrukking kan plaats vinden door verschillende factoren zoals: gewoonte, dieet, omgeving, psychologische omstandigheden, conserveringsmiddelen, bestrijdingsmiddelen, cosmetica, medicijnen etc. Het concept van lagen: de levenskracht streeft naar maximale aanpassing van het organisme en probeert hierbij de vitale organen te vrijwaren van ziekte, door het ziekteproces op een zo oppervlakkig mogelijk niveau te houden. Onderdrukking van ziekteverschijnselen bevordert het degeneratieve proces en verzwakt de levenskracht. Dit afblokken van de 'natuurlijke' kanalen van expressie, kan de verstoring naar een dieper pathologisch niveau van het organisme brengen en/ of een verschuiving naar een meer destructief miasma bewerkstelligen. Er zijn a.h.w. lagen van afweersystemen aanwezig binnen de constitutie. De susceptibiliteit wordt door onderdrukking ondermijnd, de interne dynamische verstoring wordt naar binnen gedreven, waardoor de meer vitale organen aangedaan worden. Onderdrukking leidt tot een afgenomen susceptibiliteit, hier hebben lage of medium hoge potenties of de LM-potenties in een regelmatige herhaling de voorkeur.


Terug