Ontwikkeling & Classificatie

Niet elk symptoom is gelijkwaardig, daardoor is er een behoefte aan een leidraad om symptomen te kunnen evalueren. Er zijn diverse systemen mogelijk om de constitutie van de patiënt, ziekte en homeopathische middelen te classificeren.

Men kan bijvoorbeeld een indeling maken volgens de:
Natuurrijken,
Miasma’s,
Klassieke Elementen,
Temperamenten,
Psychologische functies,
Archetypen,
Lagen van de constitutie,
Niveaus van bewustzijn,
Embryologische weefseloorsprong etc.

Hierbij is het goed te realiseren dat het onderscheiden van lagen een theoretische indeling is, van een in principe ondeelbare eenheid. Ziekte houdt zich niet strikt aan een onderverdeling, welke slechts een praktisch hulpmiddel is. In sommige gevallen dekt één middel alle niveaus af, in andere gevallen zijn er meer middelen te herkennen. Er is hier dan sprake van een complex ziektepatroon opgebouwd uit meerdere niet-gelijksoortige patronen. Belangrijk is het begrip dat binnen het organisme, schijnbaar gelijktijdig meerdere actieve verstoringen kunnen bestaan, met elk hun eigen onderliggende oorzaak en karakteristieken. Dit betekent overigens niet dat de symptomen van een bepaalde verstoring zich tot het eigen oorzakelijke gedeelte beperken, want het organisme drukt elke ziekte als een totaliteit uit. De corresponderende gesteldheid welke domineert komt in aanmerking voor een daadwerkelijk voorschrift.

Wanneer de diverse groepsindelingen gebaseerd zijn op repeterende patronen in de natuur, de zgn. Signatuurleer, zal er ook een zekere onderlinge relatie bestaan. Een vergelijk en integratie van diverse classificatie/ ontwikkelingsmodellen, kan niet leiden tot een exacte onderlinge overeenkomst in elk detail, maar in hoofdlijnen zijn er duidelijke relaties te herkennen. Er zijn de afgelopen jaren enorm veel nieuwe middelen toegevoegd aan de Materia Medica. Middelenclassificatie in gelijksoortige groepen kan hierbij ook een hulpmiddel zijn om deze middelen te begrijpen, i.p.v. elk middel afzonderlijk te bestuderen.

Het is zinvol zo breed mogelijk met classificatiemodellen om te gaan, simplificatie leidt tot starre inzichten en niet tot een beter begrip van de patiënt en zijn ziekteproces. Wanneer het inzicht van vaste patronen en daarmee de mogelijkheid om de betekenis van de symptomen te generaliseren, gecombineerd wordt met het bestuderen van de totaliteit van symptomen, leidt dit tot een kader waarin men echt holistisch een casus benaderd.

Het is van belang het hiërarchische uitdrukkingsniveau van een middel te herkennen, om middelen uit het juiste rijk en in de juiste volgorde voor te kunnen schrijven en de onderlinge complementaire relatie te begrijpen. Flexibiliteit blijft geboden, zo is bijvoorbeeld een voorschrift op een structureel constitutioneel niveau niet per definitie een Mineraalmiddel. Eveneens is een miasmatisch voorschrift niet altijd de corresponderende nosode, maar niet zelden een ander passend middel. Bepaalde constitutionele niveaus hebben een bepaalde natuurlijke affiniteit met middelen uit bepaalde natuurrijken, maar beïnvloeding door andere niveaus is nooit uit te sluiten.

In vergevorderde pathologische gevallen en ziekteprocessen die betreffende hun progressiekracht gekoppeld zijn aan de vitaliteit, is het niet raadzaam om het individuele constitutie of anti-miasmatisch middel in verband met de diepe en versterkende werking in een vroeg stadium voor te schrijven. Een lagenbenadering aan het begin van de behandeling met niet-diepwerkende middelen kan hierdoor noodzakelijk zijn.

Het ideaal is om één middel voor de hele ziekte en patiënt voor te schrijven. Het individuele simillimum vormt de basis van de constitutionele behandeling. De menselijke constitutie is de onmiddellijke, onderliggende oorzaak, omdat het de hele opmaak van lichaam en ziel vertegenwoordigt. Dit ware constitutiemiddel heeft het potentieel verscheidene lagen te verwijderen, wanneer het geneest volgens de regels van Hering. Dit middel sluit aan bij de drang van de mens tot individuatie, waarbij obstakels een obstructie in dit proces betekenen en de individuele reactie hierop bepalend voor het juiste middel.

Vanuit de tegenovergestelde invalshoek wordt het ziekzijn, vanuit externe invloeden op de lagen van het individu benaderd. Ook een combinatie van beide methoden is mogelijk, waarbij een individueel geselecteerd middel voor een specifieke oorzaak wordt voor geschreven. Het logisch gevolg is dat bij meerdere oorzaken, met een reeks van hierbij passende middelen behandeld moet worden. Hierbij wordt dus rekening gehouden met de oorzaak, leeftijd, geslacht, vitaliteit, omstandigheden, het karakter en stadium van de ziektegesteldheid en dominerende totaliteit van symptomen. In praktijk wordt bij een diepgaand middel al snel van het constitutiemiddel gesproken, terwijl het in feite om een oppervlakkiger anti-miasmatisch middel gaat, welke op de voorgrond treedt en de dominerende gesteldheid bepaalt. Het is belangrijk dat men dit zich realiseert, omdat dit middel daarmee een beperkt werkingsgebied heeft. Dergelijke middelen zullen een complementaire relatie hebben, doordat ze een aantal karakteristieken van de patiënt gemeenschappelijk hebben, om de ziekte uit te drukken.

Het individuele simillimum is gebaseerd op het dynamische patroon van de ware onveranderlijke essentie van de patiënt.

Het middel voor de dominerende ziektegesteldheid, de Centrale verstoring, is gebaseerd op het veranderde dynamische patroon als geheel.

De meeste symptomatologische lagen vormen rond de oorzaak die de levenskracht diep aangedaan hebben. Ze kunnen actief, sluimerend of latent aanwezig zijn, afhankelijk van de interne dynamiek van de levenskracht. Zo kunnen lagen van pathologie gevormd worden binnen de levenskracht, die bestaande andere chronische klachten verdringen of in combinatie hiermee bestaan.

In sommige casussen is één enkel middel in staat om het hele complexe ziektepatroon te verwijderen, terwijl in andere gevallen een serie van goed gekozenen middelen nodig is om de genezing af te ronden.

Wanneer de behandeling aan de hand van een lagenmodel de meer aangewezen methode lijkt, is het ideaal om voor te schrijven op grond van de symptomenlaag die exclusief aan het oppervlak ligt, helaas is dit bij complexe chronische ziekte vaak niet het geval. Het is mogelijk dat de symptomen van verschillende middelen min of meer gelijktijdig te zien zijn. We moeten hier voorschrijven op het meest op de voorgrond tredende laag, om vervolgens in een later stadium de andere lagen te behandelen. Het is namelijk mogelijk dat lagen onderling met elkaar verweven zijn, zodat direct in afwisseling of cyclus van middelen op deze lagen voorgeschreven moet worden. Veelal zijn de benodigde middelen afkomstig uit diverse natuurrijken, waardoor ze affiniteit hebben met verschillende constitutionele niveaus en elkaar in werking aanvullen. In deze gevallen moet niet vergeten worden dat het evt. sequentieel min of meer gelijktijdig complementair voorschrijven op verschillende niveaus alleen kan gebeuren op grond van het daadwerkelijke op het moment van inname de boventoon voerende gesteldheid en klachten. De karakteristieke symptomen blijven hierbij de leidraad welke aangeeft welke van deze middelen nodig is. Het benodigde tijdsinterval kan variëren van een dagelijkse tot wekelijkse inname, of nog langer. Een vast schema waarbij middelen volgens een van tevoren bepaalde sequentie afwisselend voorgeschreven worden, sluit nooit aan bij de werkelijke behoefte. Het herkennen van bepaalde diepere lagen en karakteristieken, zonder dat deze corresponderen met de dominerende gesteldheid en hoofdklacht, is geen grond voor een voorschrift.

We moeten uiteraard niet uit het oog verliezen dat we bij elk voorschrift moeten voorschrijven op de dynamische verstoring van de levenskracht. Deze verstoring kan alleen maar blijvend bestaan, doordat hieraan een dynamische verzwakking ten grondslag ligt. De levenskracht gebruikt altijd het onderliggend niveau van het organisme om de ziekte uit te drukken. Dit niveau is dus als onderliggende oorzaak actief bij de ziekte betrokken. Welk gedeelte van de constitutie dit betreft, heeft invloed op het symptomenbeeld van de ziekte. Wanneer de gehele constitutie op duidelijke wijze bij de ziekte betrokken is, zal de vitaliteit hoog en het individuele beeld duidelijk zijn.

Wanneer de ziekte verder ontwikkeld is en hoofdzakelijk een bepaald gedeelte of aspect van de constitutie betreft, zal het beeld van deze laag een minder ‘persoonlijk’ en meer het karakter hebben van een patroon dat het individu opgedrongen wordt. Dit wil overigens niet zeggen dat het organisme niet altijd als geheel reageert op een verstoring. Ziekte en de onderliggende predispositie betreffen altijd alle niveaus van de constitutie.

Er kan ook bij een complexe ziekte, maar één dominerende gesteldheid en hiermee corresponderend simillimum bestaan.

Pathologie kan zich in principe wel beperken tot één niveau. Bijvoorbeeld fysieke pathologie, heeft ook altijd invloed op het psychisch-mentaal functioneren van de hele mens. Deze klachten zijn via de gemeenschappelijke predispositie verbonden met het psychisch-mentale niveau. De klachten op fysiek niveau zorgen er voor dat het psychisch-mentale niveau hiermee geconfronteerd wordt.

Omdat deze gesteldheid niet duidelijk altijd vast te stellen is, omdat deze vanzelfsprekend voor ziekte lijkt te zijn kan bijvoorbeeld door begrip van de klassieke elementen, natuurrijken en miasma’s, beter begrepen worden waar de symptomen uitdrukking aan geven. Bij complexe ziektegevallen zijn meerdere hoofdmiasma’s tegelijkertijd actief. Hahnemann openende zijn casussen vaak met een anti-psorisch voorschrift, welke de constitutionele basis van de behandeling vormde, maar dit is tegenwoordig waar de invloed van Sycosis en Syfilis veel verder ontwikkeld zijn en gemengde miasma’s geen uitzondering meer zijn, niet zondermeer van toepassing. Het is wel zo dat zelfs een typerende Sycotische of Syfilische constitutie en het hiermee corresponderende middel altijd een individuele psorische basis heeft.

Wanneer er gekozen moet worden uit meerdere middelen met dezelfde intensiteit, moet er gekeken worden naar de pathologische diepte van de symptomen. Het middel wat hoort bij de diepste pathologie dient hierbij het eerst voorgeschreven te worden. Middelen zijn dus niet gelijkwaardig in hun dieptewerking en ziektefase. Verschillende (niet gelijkende) actieve verstoringen kunnen in het lichaam bestaan, doordat ze ieder op een verschillend niveau van de constitutie hun grond hebben, waardoor het uitdrukkingsniveau van de symptomen ook verschillend zal zijn. Door deze verschillende aspecten of lagen vanuit een passende invalshoek te benaderen, kan men vaststellen welk middel er voor deze gesteldheid in aanmerking komt en uit welk natuurrijk dit middel afkomstig moet zijn.

Het is dus van belang om naast de symptomen, inzicht te hebben in de kenmerken, karakteristieken van de diverse oorzakelijke niveaus waarop een mens ziek kan zijn. Een Classificatiemodel op grond van een evolutionair ontwikkelingsmodel kan hierbij voor de middelkeuze een hulpmiddel zijn. Hierbij moet echter nooit vergeten worden, dat de kaart niet het landschap is. De werkelijkheid is veel rijker en veelkleuriger en heeft veel meer diepte en inhoud.


Terug