Middelen en de natuurrijken

Groepsanamnese kan toegepast bij gelijksoortige symptomengroepen. Dit principe kan ook toegepast worden om de remedies van de Materia Medica in te delen volgens hun oorsprong: menselijk, dierlijk, plantaardig of mineraal. Om het simillimum te kunnen bepalen is het zinvol om de bron of rijk van het middel te herkennen. Pathologie zal genezen met behulp van het meest passende gelijkende geneesmiddel uit hetzelfde natuurrijk. Het kan tevens van belang zijn, het hiërarchische niveau van uitdrukking van een middel te herkennen, om middelen uit het juiste rijk voor te kunnen schrijven en de onderlinge complementaire relatie te begrijpen. Uiteraard moet dit systeem flexibel toegepast worden en niet gebaseerd worden op oppervlakkige stereotype observaties, maar op patronen in de totaliteit van de karakteristieke symptomen.

Een persoon kan op een verschillend tijdstip en omstandigheden een middel
uit de diverse natuurrijken nodig hebben.

De middelen zijn afkomstig van de volgende rijken:

  1. Stoffelijk (mineralen, vloeistoffen, gassen, energie);
  2. Plantaardig;
  3. Dierlijk;
  4. Menselijk.

De mens bevat in opbouw de volgende natuurrijken of wezensdelen:
Mens: heeft een geest, een ziel, levenskracht en een fysiek lichaam, overeenkomend met de eigenschappen: zelfbewustzijn, bewustzijn en onderbewustzijn. Kenmerken: Individualiteit, onafhankelijkheid.
Dier: ziel, temperament, levenskracht en een fysiek lichaam. Het temperament is verbonden aan emoties en verlangens. Kenmerken: Beweging, afbraak, verandering.
Plant: levenskracht en een fysiek lichaam. De levenskracht bepaalt primair onze constitutie en temperament (het temperament is een zielsuiting die bepaald wordt door de hoedanigheid van de levenskracht). Kenmerken: Groei, opbouw, vormkrachten.
Mineraal: fysiek lichaam met een min of meer ‘statisch’ energieveld. Het betreft hoofdzakelijk het aangeboren gedeelte van de constitutie. Kenmerken: Vaste vorm, structuur, star, tijdloos.

De Minerale middelen van het Periodieke systeem zijn essentieel bij de behandeling van de erfelijke en verworven miasma’s. De meeste diepe anti-psorische en constitutiemiddelen zijn de Mineralen, welke bij de opbouw en het functioneren van de menselijke constitutie betrokken zijn. Niet elk diep constitutiemiddel is per definitie anti-psorisch, het uitdrukkingniveau van de constitutie en het hierin dominerende miasma is bepalend voor de keuze van dit individuele middel. De meeste niet-antipsorische middelen zijn afkomstig uit het Plantenrijk Mineralen zijn langzaam, stabiel en veranderen slechts gedurende een lange tijdsperiode, dit in analogie met de chronische ziekten en miasma’s. Deze groep is van fundamenteel belang voor veel mensen, maar er zijn personen die een grote affiniteit hebben met een diepwerkend plantenmiddel, zoals Lycopodium of een dierenmiddel zoals Lachesis. Veel hangt af van de geestelijke en emotionele predispositie van de patiënt. Elk middel kan een verschillende rol vervullen, naar gelang het niveau waar het op voorgeschreven wordt. Planten en Dierenmiddelen welke geschikt zijn voor diepe chronische ziekten, hebben meestal een hoog mineraalgehalte in hun samenstelling. Planten hebben een grote affiniteit met het niveau van de individuele levenskracht. Planten vertegenwoordigen vitaliteit, groeien snel en ondergaan snelle veranderingen en zijn veelal gelijksoortig met trauma’s, crisis, acute verstoringen en acute miasma’s. Dieren zijn altijd in beweging en reageren snel, middelen uit het Dierenrijk werken snel en destructief en zijn daarom geschikt voor destructieve acute en chronische ziekten.

In een acute situatie heeft een plantenmiddel de voorkeur boven een mineraal of middel afkomstig uit het Dierenrijk. Een mineraal werkt dieper dan een plantaardig of dierlijk middel. Wanneer in de casus voornamelijk plantenmiddelen naar voren komen, is dit een gunstigere situatie, in vergelijking met wanneer er hoofdzakelijk minerale middelen geïndiceerd zijn. Dierlijke en minerale middelen zijn een slecht teken. Wanneer een mineraal middel voorgeschreven moet worden in een acute situatie is het beter niet hoger te gaan dan een C200 potentie.

Bij chronische anti-miasmatische voorschriften geldt dat Psora, Sycose en Syfilis zelden in zuiver vorm voor komen. Daardoor komen er voor de behandeling vaak meerdere geneesmiddelen in aanmerking. Als bij het eerste voorschrift geen duidelijke geneesmiddeldiagnose is te stellen, heeft het de voorkeur eerst middelen uit het Plantenrijk, vervolgens de Mineralen, dan uit het Dierenrijk en als laatste uit het Mensenrijk voor te schrijven. Het hoofdargument hiervoor is, dat naarmate men het menselijke lichaam nadert, men dichter bij erfelijke factoren komt, en dichter bij hetzelfde (Isopathie) en minder bij het gelijkende (Homeopathie).

Een middel moet gelijksoortig zijn met de etiologie en de manier waarop de ziektegesteldheid zich ontwikkelt in tijd gezien. Dit heeft te maken met de theorie van tijd en progressie in relatie met de tijdslijn en de Regels van Hering. Ziekte ontwikkelt zich van een meer oppervlakkige, acute en functionele ‘plant’gesteldheid waarbij de energiecirculatie en stofwisseling verstoord wordt, naar een ‘minerale’gesteldheid, waarbij de structuren diepgaand aangedaan worden. Vervolgens de Dierenmiddelen en de Nosodes, welke een aantasting van weefsels en structuren betreffen. De sarcodes afkomstig uit het Mensenrijk zijn vaak aangewezen bij een eenzijdig ziektebeeld en vergevorderde pathologie.

Bij genezing zien we een verschuiving in natuurrijken van de geïndiceerde middelen, in de omgekeerde volgorde van verschijnen.

R. Sankaran noemt de volgende eigenschappen:

Mineralen:
Structuur en organisatie, de problemen ontstaan wanneer deze structuur en organisatie verbroken wordt, het verbreken van relaties of falen in prestatie. Personen die een mineraal middel nodig hebben zijn erg systematisch en goed georganiseerd. De metalen willen presteren, ze verdedigen hun territorium, ze willen niet dat anderen op hun gebied komen (performance and defence). Hoe hoger hun atoomgewicht, des te meer ze deze neiging hebben. De pathologie bij de metalen is zeer progressief en gaat naar de diepte.

Zouten vertegenwoordigen het samengaan van twee eigenschappen welke met elkaar in balans zijn en een eigen essentie vormen.

Planten:
Gevoeligheid, de oorzaak is meestal emotionele of fysieke verwonding of spanning.Hun gevoelens zijn het belangrijkst voor hen en de angst om ‘geraakt’ te worden. Ze zijn ongeorganiseerd en veranderlijk.

Dieren:
Competitie en overleven, ze zijn aangedaan door teleurstelling in liefde en prestatie, of hebben het gevoel dat er op hen neergekeken wordt, of ze aangevallen worden. Ze zijn ontwikkeld en complex, er is sprake van hiërarchie, competitie en kracht. Er is een conflict tussen hun dierlijke en menselijke kant. Kenmerkend is ook de behoefte om aandacht te trekken, ze zijn vaak aantrekkelijk in hun uiterlijk en gedrag, alert en geanimeerd.

C. Rosenthal heeft dit verder uitgewerkt en noemt als belangrijkste karakteristieken van de verschillende rijken:

Mineralen:
Element: bestaan/ existentie, zijn, consistentie, structuur, omschreven.
Zout: structuur, verbinding, balans.

Plantaardig:
Functie, systeem, groei, reactie op de omgeving, opnemen/ verwerken, aanpassingsvermogen, instandhouding van de soort, kwaliteit.

Dierlijk:
Beweging, emotie, verlangen, gevoel, wil, verbeelding, instinct, communicatie.

Menselijk:
Denken, begrijpen, abstractie, betekenis, spraak, bewustzijn, religie, waarden, controle.

In elk rijk vinden we verschillende niveau’s van de middelen die binnen die groep vallen. Het is daarom goed om deze indeling als een schaal te beschouwen, die begint bij de Mineralen en eindigt in het mensenrijk:

In de menselijke constitutie zijn niveau’s aanwezig die corresponderen met de elementen van de verschillende natuurrijken, met hun bijpassende functies, weefsels en organen:

Stoffelijk:

Plantaardig:

Dierlijk:

Menselijk:

Bij het vinden van het juiste middel is het belangrijk om te bepalen:

Elk middel is in staat alle natuurrijken te beïnvloeden, maar alle symptomen zullen de karakteristieken vanuit het natuurrijk van dit middel hebben, zowel de lagere als de hogere hiërarchische natuurrijken. Het zieke natuurrijk zal genezen met behulp van het meest passende gelijkende geneesmiddel uit hetzelfde natuurrijk. Dit betekent dat de symptomen op dat niveau hun oorzaak vanuit ditzelfde niveau hebben. Een specifieke input aan dat energieniveau veroorzaakt een specifiek verstoring. Constitutie en energieniveau hebben een gebrekkig energetisch functioneren, welke zich uit in een verstoring welke kenmerkend is voor dit niveau.

De symptomen beperken zich niet per definitie tot dit aangedane natuurrijk, omdat het organisme als een eenheid ziek is. Wanneer de pathologie gelokaliseerd is in meer dan één natuurrijk, moet gekeken worden of de pathologie afgedekt wordt door hetzelfde middel. De symptomen van de rijken hoger in hiërarchie zijn sterk bepalend voor de keuze van het van het benodigde middel. Dit middel dekt dan ook de symptomen op de andere lagere complementaire niveau’s vanuit dezelfde verstoring. Om middelen op de keuze van natuurrijk te kunnen differentiëren moet niet naar de lagere niveau’s gekeken worden die deze middelen gemeenschappelijk hebben, omdat middelen uit de verschillende natuurrijken deze niet wezenlijk verschillend kunnen beïnvloeden. Symptomen van de hoger in hiërarchie gelegen rijken geven dus de verschillen aan.

We streven natuurlijk naar één werkelijk individueel middel welke alle cumulatieve niveau’s dekt, vooral gebaseerd op de karakteristieken en symptomen van de hogere of het hoogste niveau. Het kan zijn dat een dergelijk middel niet herkend wordt, doordat een bepaald niveau dat de ziekte draagt, sterk overheerst, waardoor op deze centrale verstoring eerst voorgeschreven dient te worden. Hier kan het onderscheid van de symptomen van de verschillende uitdrukkingsniveau’s uitkomst bieden om voor een lagen benadering te kiezen.


Terug